"De wielersport wordt vermoord". Dit hoor je regelmatig
na de doping perikelen in 2006. Sponsorploegen stoppen.
Hoofdsponsoren van de Tour de France trekken zich terug. De tv-
belangstelling zou terug lopen en dan is de wielersport ten dode
opgeschreven.
Laten we de belangrijkste affaire eens nader bekijken. Kort de
feiten. In etappe 16 van de Tour krijgt Floyd Landis kort voor de
finish, op de top van de La Toussuire, een inzinking. Deze zet hem
op achterstand. Niemand geeft meer iets voor zijn eindzege in
Parijs. De volgende dag geeft hij echter fietsles zoals slechts
heroïsche wielerhelden als Copi, Bartalli, Gaul en Merckx dat
konden. Landis maakt zijn achterstand bijna goed. In de voorlaatste
etappe stelt hij in de tijdrit zijn tourzege alsnog veilig. Kortom,
de finaleweek van de tour 2006 was om van te dromen. Maar aan dromen
komt een einde en Landis blijkt de Han van Meegeren van de
wielersport te zijn. Hij zou ons bedot hebben met testosteron. Zijn
urinemonster, afgenomen na die heroïsche 17e etappe,
bevat een testosteron-epitestosteron verhouding die sterk afwijk van
wat het dopingreglement toestaat. Hier stoppen de feiten en begint
de interpretatie en speculatie. We zien veel papegaaigedrag.
Deze column probeert niet het dopinggebruik van Landis te bewijzen
of te ontkrachten. Het bekijkt slechts hoe hard de ‘bewijzen’
zijn.
Testosteron is een hormoon dat jongentjes tot jongentjes maakt.
Het helpt ook bij de spieropbouw (maakt sterker) en zo is het op de
dopinglijst gekomen. Testosteron is lichaamseigen, waardoor misbruik
moeilijk is aan te tonen. Tests die synthetische (niet
lichaamseigen) testosteron kunnen ontdekken, zijn onbetrouwbaar.
Voor het aantonen van doping valt de controle dan ook terug op de
verhouding tussen testosteron en epitestosteron, de lichaamseigen
tegenhanger van testosteron. Beiden komen in een bepaalde verhouding
in het lichaam voor. Als je jezelf met testosteron drogeert,
verstoort die verhouding en die verstoring kunnen we meten. Soms
hebben sporters van nature een afwijkende verhouding, daar houdt men
rekening mee. Van Landis was van zo’n natuurlijke afwijking niets
bekend.
Volgens hoogleraar inspanningsfysiologie prof. dr. Harm Kuipers
is testosteron slechts nuttig bij de trainingsopbouw. Tussen de
inzinking en de topprestatie van Landis kan ze geen effect hebben.
Dus, waarom zou hij het dan nemen? Deze stelling wordt bestreden.
Maar Kuipers is een betrouwbare en neutrale wetenschapper.
De stelling ‘extern testosteron verstoort de
testosteron-epitestosteron spiegel’, mogen we niet omdraaien in
‘een verstoorde testosteron-epitestosteron spiegel komt door
extern testosteron’. Net zo als dat iedere mus een vogel is, maar
iedere vogel geen mus. De verstoring kan mogelijk andere oorzaken
hebben. Bijvoorbeeld: kan een lange topinspanningen onder hoge
temperaturen het hormonale systeem verstoren? Wetenschappelijk is de
gebruikte methode dan ook volstrekt onverantwoord.
Omdat de testosteron-epitestosteron verhouding hierdoor als
bewijs rammelt, is een truc bedacht. De scheve verhouding tussen
testosteron en epitestosteron wordt als vermoeden gekenmerkt.
Vervolgens wordt de omgekeerde bewijslast gehanteerd: de sporter
moet bewijzen dat het vermoeden onjuist is. Bij een toevallige
afwijking is dit bewijs onmogelijk te leveren.
Stel dat eerder genoemde veronderstelling, dat een extreme
inspanning de hormoonhuishouding verstoort, juist is. Dan creëert
de sport een situatie waarin we sporters tot topprestaties
stimuleren en vervolgens het effect van die topprestaties gebruiken
om die sporters als dopingzondaar te brandmerken.
Het leveren van een topprestatie, één dag na de inzinking, zou
zonder doping niet mogelijk zijn. Hiervoor is al bij monde van Harm
Kuipers aangegeven dat testosteron dan geen logische keuze zou zijn.
Maar het herstel is ook zonder doping goed te verklaren. De
inzinking van Landis leek sterk op een ‘gewone’ hongerklop. Je
staat dan binnen honderd meter ‘geparkeerd’, zeker in een klim.
Als je daarna goed eet, heb je er een dag later geen last meer van.
Dit geldt zeker voor een geprikkelde Landis, die dit als een
uitdaging opnam. Kees Verkerk reed in Inzell ooit een historisch
wereldrecord op de tien kilometer, geprikkeld door een mislukte
vijf.
Landis is zowel vóór als na de 17e etappe vaker op
doping gecontroleerd. Omdat Testosteron een opbouwhormoon is, mag je
verwachten dat bij die controles eveneens afwijkende verhoudingen in
de testosteron-epitestosteronspiegel gevonden zijn. Hij bleek echter
clean. Hoe verklaren we dit?
De contra-expertise is een wassen neus. Er is geen tweede
onafhankelijke staal. Er is maar één staal (één plas) verdeeld
over twee flesjes. Beide tests zijn bij hetzelfde Franse
laboratorium uitgevoerd, dit geeft tenminste de schijn van
partijdigheid. De contra-expertise kan slechts het gelijk van de
sporter aantonen als het testlaboratorium zijn eigen falen aantoont.
Stel dat Landis werkelijk iets gebruikt heeft. Zou hij zichzelf
dan zo in de kijker rijden, met 100% kans op ontdekking? Dat is toch
wel heel erg dom.
In een geciviliseerde westerse maatschappij ben je pas schuldig
als het bewijs onomstotelijk en overtuigend geleverd is. De hiervoor
genoemde argumenten lijken tenminste twijfel te zaaien. Er ontstaat
zo een tegenstrijdigheid: de strijd tegen doping, bedoeld om
eerlijkheid in de sport te creëren, leidt tot de grootst mogelijke
oneerlijkheid in die sport.
Ondertussen is ongeveer een half jaar verstreken sinds Landis
beschuldigd is. Maar hij is nog steeds niet veroordeeld. Blijkbaar
zijn de officials niet zeker van hun zaak. Renners worden zonder
enig bewijs beschuldigd, ploegen worden uitgesloten. Als wielrenner
ben je bijna per definitie een gebruiker. Basso, een andere ‘dopingzondaar’
die niet in de Tour mocht starten, is ondertussen door de Italiaanse
wielerbond van alle blaam gezuiverd. Toch mocht hij van zijn
ploegleiding niet in de Ronde van Lombardije starten, omdat hij ooit
verdacht was. Kortom: als deze affaires ten koste gaan van de
wielersport is er geen sprake van moord, maar van zelfmoord.