|
17 mei 2008:
Bram Brouwer doet opmerkelijke uitspraken
over doping
MANTGUM – Onder
de titel ‘Doping, part of the game' hield Bram Brouwer uit Mantgum
afgelopen woensdag 14 mei een lezing over delen uit zijn
afstudeeronderzoek als psycholoog ‘Doping en wielersport. Een
breder perspectief’. Brouwer kwam tot een aantal opmerkelijke
uitspraken. Hij twijfelt aan de vermeende effecten van doping.
Brouwer constateert bovendien dat het met de validiteit en
betrouwbaarheid van dopingtesten hooguit matig gesteld lijkt. De
kans op valse beschuldigingen is dan groot.
Deze lezing was
een onderdeel van de activiteitencyclus ‘Beleef Azie’, opgezet
door de Noordelijke studiecentra van de Open Universiteit in het
kader van de komende Olympische Spelen. Brouwer is student aan deze
universiteit, 25 jaar actief wielrenner en al dertig jaar schaats-
en wielrentrainer.
Brouwer is als columnist verbonden aan NWF Regiosport.
Volgens Brouwer
is het anti-dopingbeleid in de wielersport veertig jaar oud. Het
startte na de dood van Tom Simpson op 13 juli 1967. Simpsom overleed
tijdens de 13e etappe van de Tour de France van dat jaar.
In de klim naar de top van de Mount Ventoux bezweek Simpson aan een
fatale mix van hitte, inspanning en doping. Dat deze dopingdood meer
impact had dan eerdere dopingdoden in de wielersport wordt volgens
Brouwer veroorzaakt door de rechtstreekse TV uitzending van dit
drama.
Het toenmalig
ingezette anti-dopingbeleid was bedoeld om het gebruik van doping te
verminderen. Het lijkt er echter op dat veertig jaar beleid dat
gebruik eerder gestimuleerd heeft. Bovendien zal het vrijwel niemand
zijn ontgaan dat het tot een enorme escalatie van de doping
problematiek heeft geleid. Volgens Brouwer is deze escalatie mede
ontstaan door de op dit moment gebruikte definitie van doping.
Doping wordt gedefinieerd in de ‘World Anti Doping Code’
(uitgegeven door de WADA, World Anti Doping Agency) als het
overtreden van de regels
in die code. Daarmee is de dopingdefinitie een cirkelredenering
geworden. Immers, de definitie in de code verwijst naar de
code zelf. Dit geeft de doping autoriteiten de gelegenheid de meest
absurde regels
te verzinnen en overtreding als dopinggebruik te kenmerken. Van die
mogelijkheid maken ze dan ook gretig gebruik. Het lijkt er volgens
Brouwer op dat met onethische methoden geprobeerd wordt de ethiek
van de sport hoog te houden.
Vanuit een
historische analyse twijfelde Brouwer aan de vermeende effecten van
doping en heeft een theorie ontwikkeld over het prestatieverhogende
effect van epo, een in het wielrennen veel gebruikte doping. Epo is
een medicijn tegen bloedarmoede. Volgens deze theorie zal epo bij
patiënten met bloedarmoede de prestatie verbeteren, maar bij
gezonde mensen niet en topsporters zijn per definitie gezonde
mensen. Brouwer maakt een vergelijking met de benzineslang in de
auto. Als deze te dun is krijgt de motor onvoldoende brandstof en
gaat stotteren. Als ze te dik is, zal de auto niet harder gaan
rijden. Voor het percentage rode bloedlichaampjes geldt hetzelfde.
Echter, een te hoog percentage rode bloedlichaampjes (hematocriet)
maakt het bloed dikker en dat heeft volgens Brouwer juist een
negatief effect op de prestatie. Brouwer heeft enige
wetenschappelijke ondersteuning van zijn theorie gevonden, zoals
onderzoek van Harm Kuipers. Alleen gericht wetenschappelijk
onderzoek onder topsporters kan een definitief antwoord geven.
Dergelijk onderzoek wordt door de dopingautoriteiten geblokkeerd.
Dat voorkomt tevens dat hun ongelijk wordt aangetoond. Ook van
andere in de wielersport veel gebruikte dopingmiddelen vond Brouwer
wetenschappelijke ondersteuning van de gedachte dat ze eerder
negatief dan positief op de prestatie werken. Volgens Brouwer lijkt
het idee dat de prestatieverbeterende werking van doping in het
wielrennen is gebaseerd op een collectief waanidee.
In deel twee van
zijn lezing constateert Brouwer dat het met de validiteit en
betrouwbaarheid van dopingtesten hooguit matig gesteld lijkt. De
kans op valse beschuldigingen is dan groot. Ondanks vele
tegenbewijzen, die in sommige doping zaken zijn aangedragen, lijken
de doping autoriteiten geen fouten te willen toegeven. Bijvoorbeeld
de zaak Floyd Landis. Er lijkt voldoende aangetoond dat deze renner
in ieder geval niet gestraft had mogen worden. Toch blijft zijn
straf gehandhaafd. Zijn de autoriteiten bang voor claims die
ontstaan als ze hun ongelijk toegeven?
In cassatie gaan
bij het CAS (het hooggerechtshof in de sportrechtspraak) lijkt
weinig kans van slagen te hebben. Deze instantie constateerde immers
eerder dat onterecht beschuldigd worden van dopinggebruik gezien
moet worden als pech, als een lekke band in de finale van een
wedstrijd.
Kortom: einde
carrière, ontslag, jaar salaris inleveren, tourzege ontnomen, grote
kans op ernstige psychosociale problemen (ook in de sociale
omgeving), zelfmoord, grote financiële verliezen, miljoenen
kostende verdediging, enzovoort. Je moet het volgens het CAS zien
als ‘Part of the game’.
Bram
Brouwer, sportpsychologie
|