|
Nooit tevreden en nooit
emotioneel zijn
Op 2 januari 2009 was het honderd
jaar geleden dat de eerste officiële Elfstedentocht is geschaatst.
Age Tichelaar (1934) uit Franeker was in 1956 de laatste schaatsenrijder
uit noordwest Friesland die top tien reed. Hij heeft twee wetten: wees
nooit tevreden en wees nooit emotioneel. Het vreemde is dat hij zich
tijdens zijn Elfstedentocht van dat jaar aan beide niet kon houden.
Noordwest Friesland heeft zich de
afgelopen eeuw in de historie van de Elfsteden gemanifesteerd met een
aantal echte schaatscoryfeeën. In 1933 won Abe de Vries (26) uit
Dronrijp. Vanaf Bolsward had hij met Sipke Castelein uit Warga samen
gereden. Vlak voor Dokkum namen ze de leiding. In finishplaats
Leeuwarden was nergens een bord “Finish” te vinden. Argeloos reed
De Vries, “ongewild en ongemerkt” als eerste over een op het
laatste moment getrokken streep. Naderhand stelde De Vries dat hij
zich daardoor bedonderd voelde. Beiden kregen de eerste prijs.
In 1940 en 1941 won de Franeker
‘koning van de Elfstedentocht’ Auke Adema. In 1940 maakte Adema
(33) deel uit van het ‘Pact van Dokum”. Een afspraak waarbij vijf
man gelijktijdig over de finish gingen: Piet Keizer (De Lier), Auke
Adema, Cor Jongert (Alkmaar), Dirk van der Duim (Wergea) en Sjouke
Westra (Warmenhuizen).
Adema had zich daarna als doel
gesteld de eerst volgende Elfstedentocht winnend en alleen over de
finish te komen. Een jaar later realiseerde hij dat doel al. Zijn neef
Anne de Vries (Franeker, 22) wordt vierde.
De laatste coryfee uit ons gebied is Age Tichelaar. In 1956 bevindt
hij zich als 22-jarige debutant onverwacht in de kopgroep. In zijn
woonplaats Franeker stempelt hij als eerste. Daarna moet hij de
kopgroep laten gaan om als achtste in Leeuwarden te finishen.
Age Tichelaar, inmiddels 74 jaar, is
een bescheiden sportman. Hij hoeft niet zo nodig in de publiciteit.
“Ik heb zelf nooit propaganda gemaakt over mijn prestaties. Ik word
er door buitenstaanders wel regelmatig aan herinnerd. Als je goed
presteert, heb je veel vrienden, dan heb je een grote familie. Ik heb
nooit geweten dat ik na 1956 zo’n grote familie had. Maar wat
geweest is, dat is geweest, daar sta ik niet meer bij stil. Ik weet
zelfs niet waar mijn Elfsteden kruisje is. Ik heb het misschien wel
weggegeven.”
Tichelaar had in 1955 een carričre
als wielrenner afgesloten. Als lid van de Leeuwarden wielervereniging
De Friesche Leeuw had hij menige podiumplaats behaald. Eenmaal onder
de wapenen had Tichelaar als dienstplichtig soldaat te weinig
trainingstijd en aan wedstrijden kwam hij helemaal niet meer toe. Zijn
passie schaatsen gaf hij niet op.
Tichelaar stond al vroeg op de schaatsen. “Zodra er ijs was kreeg ik
een paar schaatsen onder. Thuis hadden we het niet ruim, ‘zelfs de
muizen lagen dood voor de kast’. Er was daardoor geen geld voor goed
materiaal. Ik reed soms op schaatsen die een maat of vier te groot
waren. Ik heb het schaatsen dus op ‘ski’s’ geleerd.” Als
wedstrijdschaatser deed hij het liefst aan afvalwedstrijden mee.
“Die vond ik het mooiste. Een kortebaanwedstrijd was niet aan mij
besteed. Als de finish bereikt was kwam ik pas op gang.” Tichelaar
kon wel “een beetje rijden”. Hij was een aantal jaren lid van de
Friese schaatsselectie. Maar het was lastig het tegen de gevestigde
orde op te nemen. “In Nederland was te weinig ijs. Wij hadden geen
geld om trainingskampen in Noorwegen te beleggen. Ik had daardoor niet
zoveel belang meer bij de selectie.”
 |
Elfstedentocht
Tijdens de Elfstedentocht van 1954 was Age Tichelaar in
Steenwijk gelegerd. Hij mocht niet deelnemen. In plaats daarvan
schaatste Tichelaar op de ijsbaan van IJhorst. Toen de
Elfstedentocht van 1956 zich aankondigde twijfelde hij geen
moment om in de wedstrijd te starten. Hij vertrouwde daarbij op
zijn schaatskwaliteiten en zijn conditie die hij met het
wielrennen had opgebouwd.
Chaotische start
De start van de twaalfde Elfstedentocht op 14 februari 1956
verliep chaotisch. Om 5.30 uur ging de garagedeur van
autospuiterij Posthuma open. De 256 wedstrijdschaatsers stortten
zich in een avontuur met wisselende ijskwaliteit op de
besneeuwde route. “Zodra die deuren opengaan heb je oogkleppen
op. Je zoekt zo snel mogelijk een weg naar het ijs van het Van
Harinxmakanaal. Daarbij moet je vooral opletten dat er voor je
niemand languit op zijn snufferd gaat. Eenmaal op het ijs is het
een kwestie van zo snel mogelijk de schaatsen onder en weg
wezen.” Dan gaan ze de donkere nacht in. Onderweg soms
beschenen met zaklantaarns. “Je weet en ziet niets, je moet
zorgen dat je overeind blijft. Ik had de meeste angst voor het
achteruitschoppen van voorgangers of dat er iemand voor mij
onderuit ging. Ik raakte bij een val betrokken en daarbij heb ik
een bloedneus opgelopen. In Hindeloopen werd ik daar op gewezen.
Op het moment dat het gebeurde had ik er geen flauw benul
van.” |
Kopgroep
Na Sneek begon het wat te dagen. “Ik keek eens om me heen en
dacht: verrek, waar zijn die anderen, zijn er niet meer? Het was maar
een klein ploegje.” Tichelaar was er niet op ingesteld vooraan mee
te rijden. “Ik had niet verwacht in de kopgroep te rijden. Het
overkwam mij gewoon. Ik probeerde wel om er zo lang mogelijk bij te
blijven. En vooral mijn verstand te gebruiken. Als ik op kop kwam ging
ik niet voluit. Ik hield de vaart er in, meer niet.” Tichelaar had
ook niet direct door met wie hij allemaal vooruit reed. “Ik kende ze
lang niet allemaal, maar ik had wel in de gaten dat het een sterke
groep was.” Tichelaar was in een kopgroep geraakt met ervaren cracks
als onder anderen Jan van der Hoorn, Aad de Koning, Anton Verhoeven,
Jeen van den Berg en Jeen Nauta.
Emoties
Er was Age Tichelaar veel aan gelegen om in zijn woonplaats
Franeker als eerste van de kopgroep van acht te stempelen. “In die
andere plaatsen was ik daar niet zo mee bezig. Ik was zover gekomen,
dat ik gevoelsmatig ook als eerste in Franeker wilde zijn.” Het werd
een geweldige ervaring voor de kleine mannetjesputter. “Het was
zwart van de mensen. Ik werd sterk aangemoedigd. Door al die
toejuichingen raakte ik nogal emotioneel. Om de kop er goed bij te
houden kun je dat beter niet hebben.”
Dat bleek niet veel later. Vlak voor
Ried raakte Tichelaar het contact kwijt. Door een val moest hij de
kopgroep laten gaan. Tot Franeker werd er steeds gewacht als iemand
viel of even achterop raakte. Op dat moment niet meer. “De
gevestigde orde voelt elkaar zonder afspraak goed aan. Als een van die
jonkies valt of even achterop raakt, dan trekken we even door en dan
raken we hem wel kwijt. Als Jeen op zijn bek was gegaan was er wel
gewacht. Jeen had status, ik niet.” Tichelaar vond het vervelend,
maar heeft er wel begrip voor. “Wedstrijd is wedstrijd, dat hoort
erbij.” Hij verwijt zich zelf wel dat hij er op dat moment niet een
schepje bovenop gooide. “Ik liet ze lopen. Blijkbaar was ik al
tevreden dat ik als eerste in Franeker was. Dat moet je nooit zijn. Ik
had moeten bijten. Er waren momenten dat het zwaarder was geweest waar
ik het wel bij kon houden.”
Tichelaar vervolgde de tocht in een
groep van vier schaatsers. Vlak voor finishplaats Leeuwarden ontsnapte
daaruit nog een schaatser. Tichelaar won de sprint van het resterende
drietal en werd daarmee achtste. “Ik weet niet precies meer hoe die
finale verliep. Als linkebal zal ik nog wel iets geprobeerd hebben. Ik
wilde in elk geval niet laatste van de groep worden en proberen zo
hoog mogelijk te eindigen.” Aan de finish werd hij opgewacht door
zijn ouders. “Dat was geweldig.”
Pact van Vrouwbuurt
Later hoorde Tichelaar van het ‘pact van Vrouwbuurt’. Vijf
schaatsers spraken af gezamenlijk over de finish te gaan. Een
zwaktebod, volgens Tichelaar. ”Als er iemand overtuigd was geweest
van zijn eigen kansen, had die het niet gedaan.” Hij had er wel
begrip voor. “Als ik er nog bij was geweest had ik waarschijnlijk
ook wel mee gedaan.” Van de ander kant had het volgens Tichelaar
niets meer met een wedstrijd te maken. “Tot op de streep moet er
gestreden worden. Als ik er nog bij geweest was, had ik misschien ook
een kans gehad. Ik had wel een redelijke sprint in de benen.”
|
In
de barre tocht van 1963 startte Tichelaar opnieuw in de
wedstrijd. Die heeft hij voortijdig verlaten. “Ik was toen
niet goed getraind. Op de Blikvaart ben ik tussen Sint
Annaparochie en Vrouwenparochie uitgevallen. Bij een
bevoorradingspunt van een boer viel iemand achterover, met de
elleboog tegen mijn neus. Toen was het gebeurd. Per auto ben ik
naar Leeuwarden gebracht.”
Zijn
actieve schaatscarričre was daarmee definitief ten einde. Zorg
voor vrouw en kinderen was belangrijker. Als een van de weinige
tastbare herinneringen heeft Tichelaar een tabaksdoos met een
houtsnijwerkdeksel. Die kreeg hij van IJsclub Franeker na de
tocht van 1956. De tocht waarvan het moment dat er geen mensen
meer achter hem zaten en bleek dat hij in de kopgroep zat hem
het beste is bijgebleven.
|

De afbeelding op dit
houtsnijwerk staat symbool voor Age Tichelaar: altijd bereid
strijd te leveren.
|
|